Je bent ‘alleenstaand student’ als je op 31 december 2020 niet tot één van de voorgaande leefeenheden behoort en je in één van de volgende situaties verkeert:

  • je ontvangt een leefloon van het OCMW en je bent niet bij je ouder(s) gedomicilieerd;
  • je beide ouders zijn overleden;
  • je woonde bij één van je ouders, die ouder is overleden en je bent daarna niet bij de andere ouder gaan wonen;
  • je woont zelfstandig en wordt begeleid door een begeleidingstehuis, een gezinstehuis of een dienst voor begeleid zelfstandig wonen;
  • je bent/was opgenomen in een begeleidingstehuis, een gezinstehuis of valt onder begeleid zelfstandig wonen;
  • je pleegzorg werd beëindigd: je domicilie is niet meer bij het pleeggezin of je bent nog geen 3 jaar bij je pleeggezin gedomicilieerd;
  • je ouder(s) is/zijn ontzet uit het ouderlijke gezag;
  • je hebt een specifiek verblijfsstatuut (bv. erkend vluchteling).

Je studietoelage zal worden berekend op basis van jouw referentie-inkomen (STAP 3).

Bevind je je niet in één van de voorgaande situaties dan kom je alsnog in aanmerking voor de leefeenheid ‘student ten laste’, zelfs als je een apart domicilie hebt.